ABRvS 10 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3801
Regulier/ aanvraag in persoon/buiten behandeling stellen van de aanvraag De staatssecretaris wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend hij de aanvraag van de vreemdeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb buiten behandeling heeft mogen stellen omdat sprake is van een in een wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, neergelegde verplichting om bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon te verschijnen. Gelet op de in 2.1.1 en 2.1.2 vermelde relevante artikelen uit de Vw 2000 en het Vb 2000 alsmede op de geschiedenis van de totstandkoming daarvan heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de vreemdelingenwetgeving geen wettelijke voorschriften zijn opgenomen waarin een vereiste is gesteld dat het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier in persoon dient te geschieden. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 3.102 van het Vb 2000 is af te leiden dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier zowel in persoon als niet in persoon kan worden ingediend. Op grond hiervan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvrager de keuze heeft om zijn aanvraag in persoon dan wel niet in persoon in te dienen. Anders dan de staatssecretaris betoogt, kan uit de omstandigheid dat op het in artikel 3.26 van het VV 2000 bedoelde (model)formulier voor het doen van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de kop "Hoe dient u een aanvraag in?" vermeld staat dat iedere persoon die een aanvraag doet, aanwezig moet zijn als de aanvraag wordt ingediend, niet worden afgeleid dat de verplichting om in persoon te verschijnen bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aldus is neergelegd in een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit formulier, opgenomen in een bijlage bij artikel 3.26 van het VV 2000, is niet aan te merken als een wettelijk voorschrift. Het standpunt van de staatssecretaris dat in de toelichting op artikel 3.102 van het Vb 2000 alsmede in het karakter van de verblijfsvergunning regulier besloten ligt dat het in persoon verschijnen bij het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd deel uitmaakt van de verplichting voor de aanvrager om de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb te verschaffen, wordt evenmin gevolgd. Hoewel een verblijfsvergunning persoonsgebonden is, biedt de tekst van artikel 3.102 van het Vb 2000 geen aanknopingspunt voor de door de staatssecretaris voorgestane uitleg van die bepaling dat aan het verstrekken van gegevens en bescheiden, noodzakelijk voor het beslissen op een ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier, de verschijning in persoon van de desbetreffende vreemdeling noodzakelijkerwijs verbonden is. Met die uitleg gaat de staatssecretaris ook voorbij aan het bepaalde in het tweede lid van dat artikel. In dit opzicht heeft de wetgever in een andere regeling voorzien dan die voor aanvragen om een verblijfsvergunning asiel, nu daarvoor in artikel 3.108, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk is bepaald dat die aanvraag in persoon moet worden ingediend. De grief faalt in zoverre.
De uitspraak op rechtspraak.nl