Rb. 's-Gravenhage 4 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4721

Eiseres heeft een herhaalde aanvraag ingediend en daarbij aangevoerd dat zij zich als moslim heeft bekeerd tot het christendom. De rechtbank overweegt dat nu het Iraanse parlement een wetsvoorstel dat is ingediend bij het Iraanse parlement, waarin de doodstraf wordt voorgesteld als sanctie op afvalligheid, heeft aangenomen, voor moslims die zich hebben bekeerd en terugkeren naar Iran bij de huidige stand van zaken in de nabije toekomst naar haar oordeel een reëel risico bestaat op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM na goedkeuring van het wetsontwerp. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat reeds het enkele feit dat een dergelijk wetsvoorstel door een president van een land wordt ingediend en door een parlement wordt aangenomen al een zeer sterke aanwijzing is dat een reëel risico bestaat op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat over dat wetsontwerp nog overleg dient plaats te vinden, maakt verder het vorenstaande niet anders te meer nu dat overleg kennelijk enkel betrekking heeft op de bewoordingen van het wetsvoorstel en niet op de strekking ervan. Dat de Raad van Hoeders er zich nog over buigen moet, maakt evenmin dat voormeld risico komt te ontbreken of niet reëel zou zijn te achten. De rechtbank heeft hierbij nog in overweging genomen dat het rechtsgevolg van de weigering van een verblijfsvergunning door verweerder is dat op de vreemdeling ingevolge artikel 45, eerste lid, sub b, van de Vw 2000, de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten, bij gebreke waarvan zij, ingevolge artikel 63 van de Vw 2000, door verweerder kan worden uitgezet. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 mei 2001 in zaak nr. 200101994/1, AB 2001, 266), is de beslissing tot uitzetting verder geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking, doch is de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege van de afwijzing van een verzoek tot verlening van een verblijfsvergunning asiel en is die bevoegdheid niet discretionair van aard. Het ontstaan door de afwijzing van de bevoegdheid tot uitzetting dient bij de beslissing over het geven van die beschikking te worden betrokken. Niet gebleken is dat verweerder dit rechtsgevolg in samenhang bezien met het mogelijk van kracht worden van het meergenoemde wetsontwerp na een eventuele uitzetting in zijn beoordeling heeft betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen