Rb. 's-Gravenhage 22 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ3291

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat verdachte zich, samen met zijn mededaders, heeft schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van zeer grote geldbedragen, waarvan de omvang niet precies valt vast te stellen, maar die in elk geval tezamen vele miljoenen Euro’s, waarschijnlijk zelfs (aanzienlijk) meer dan 10 miljoen Euro hebben bedragen. De wijze waarop die verduistering heeft plaatsgevonden leidt er bovendien toe dat ten laste van verdachte bewezen is verklaard dat zulks is geschied in het kader van een criminele vereniging, waarvan verdachte deel heeft uitgemaakt, alsmede dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van het (kort gezegd) benadelen van rechtspersonen. [..] De rechtbank gaat er niet van uit dat de andere Sham-stichtingen zijn opgericht met het vooropgezette doel om binnen die stichtingen te genereren geldbedragen aan die stichting te onttrekken.[...] Verdachte en zijn mededaders zijn, nadat zij als het ware een onontdekte goudmijn bleken te hebben aangeboord, steeds verder gegaan in het onttrekken van de daarin aangetroffen gelden. [...]Het is verdachte en zijn mededaders bij dit alles ernstig aan te rekenen dat zij zich daarbij kennelijk uitsluitend hebben laten leiden door een hebzucht, die geheel ondergeschikt werd gemaakt aan het besef dat de in de stichtingen overgebleven gelden dienden te worden aangewend voor het realiseren van het doel van de stichtingen. Dat besef had eens te meer leidend moeten zijn, nu alle inkomsten van de stichtingen -dus ook het overgebleven geld- afkomstig waren van door de overheid, en het daarmee door de belastingbetaler ter beschikking gestelde middelen betrof. Ten laste van verdachte wordt verder acht geslagen op de omstandigheid dat hij zich dat besef nog steeds niet eigen heeft gemaakt. Zijn houding ter terechtzitting maakt pijnlijk duidelijk dat bij hem geen enkel inzicht bestaat in het verwerpelijke en strafwaardige karakter van zijn handelingen. Verdachte slaagt er niet in zichzelf anders te zien dan een slachtoffer van rancune en jaloezie van anderen, zonder dat bij hem vermag door te dringen dat hij en zijn mededaders ernstig nadeel hebben toegebracht niet alleen aan de andere Sham-stichtingen, maar ook en juist aan diegenen die via het realiseren van de doelstellingen van die stichtingen baat hadden moeten hebben bij het geld dat overbleef.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen