Rb. 's-Gravenhage 1 mei 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI4917
Verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd / langdurig ingezetenen / Richtlijn langdurig ingezetenen (2003/109/EG) / implementatie / formeel beperkt verblijfsvergunning / formeel beperkt verblijfsrecht / afwachten procedure Aan de orde is de vraag een periode van rechtmatig verblijf waarin een procedure omtrent een vergunning mag worden afgewacht, zonder dat achteraf over de betreffende periode een verblijfsvergunning wordt verleend, mag worden meegeteld bij de berekening van de vijfjarentermijn, waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor verblijf als langdurige ingezetene. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe is het volgende redengevend geweest. Met betrekking tot de vraag of artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, juncto artikel 4 van de richtlijn op juiste wijze is geïmplementeerd in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank merkt allereerst op dat eiser er terecht op heeft gewezen dat het in het nationale recht gehanteerde begrip ‘formeel beperkt verblijfsrecht’ niet voorkomt in artikel 3, tweede lid, onder e, van de richtlijn. Gelet hierop kan het voornoemd begrip op grond van een tekstuele vergelijking niet onder artikel 3, tweede lid, onder e, van de richtlijn worden gebracht, nu deze bepaling spreekt van een verblijfsvergunning die formeel beperkt is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiser niet in zijn stelling kan worden gevolgd dat er sprake is van een onjuiste implementatie van voormelde bepalingen in het nationale recht. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelet op de bijbehorende toelichting uit de MvT, in overeenstemming met de bedoeling van de richtlijn en daarom een juiste weerslag van de in artikel 3, tweede lid, onder e, van de richtlijn opgenomen zinsnede “in gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is”. Deze teleologische uitleg ziet de rechtbank eveneens bevestigd in de 4e overweging van de preambule, nu daarin wordt benadrukt dat het gaat om integratie van onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd met het oog op het belang van bevordering van de economische en sociale samenhang, hetgeen wordt omschreven als een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap die is opgenomen in het Verdrag. Daarmee verdraagt zich niet het door eiser ingenomen standpunt dat ook perioden van rechtmatig verblijf meetellen waarin een procedure omtrent een vergunning mag worden afgewacht, zonder dat achteraf over de betreffende periode een verblijfsvergunning wordt verleend. Immers naar zijn aard is dan sprake van “tijdelijk verblijf”, te weten verblijf gedurende de desbetreffende procedure waarvan de uitkomst niet vast staat. De rechtbank merkt bij het voorgaande nog op dat bij implementatie niet doorslaggevend is de keuze van terminologie, die, gegeven de verschillende nationale vreemdelingenrechtelijke stelsels en daarbij behorende diverse verblijfstitels, uiteen zal lopen, doch dat met de implementatie aan de doelstelling van en de verplichtingen voortvloeiend uit de richtlijn moet worden voldaan. De conclusie is dat de richtlijn op juiste wijze is geïmplementeerd in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl