Rb. 's-Gravenhage 6 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8909
Buiten behandelingstelling / geen vrijstelling van legesvereiste omdat niet wordt voldaan aan “nareisregelgeving” / feitelijke gezinsband bij partners / niet samengewoond / 8 EVRM / gegrond Verweerder heeft de buitenbehandelingstelling wegens niet betalen van leges in bezwaar gehandhaafd omdat in zijn optiek niet is voldaan aan de “nareisregelgeving” nu niet is samengewoond door eiseres en referent en er dus geen sprake is geweest van feitelijk behoren tot het gezin van referent. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het samenwoningsvereiste mag worden gesteld. De AbRS heeft ten aanzien van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000 (zie bijv. uitspraak van 13 november 2002, LJN: AF2860) overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling af te leiden is dat is bedoeld om haar in overeenstemming te brengen met de uitleg die uit EHRM aan de term ‘family life’ in artikel 8 van het EVRM heeft gegeven. De rechtbank begrijpt de overweging en het oordeel van de appelrechter aldus dat in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000, een implementatie van artikel 8 EVRM in de asielrechtelijke context besloten ligt. De wetgever had kennelijk de bedoeling om artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000 zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met artikel 8 van het EVRM. Dit in aanmerking genomen dient naar het oordeel van de rechtbank het begrip “feitelijke gezinsband” zo uitgelegd te worden dat er sprake is van harmonie met de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 8 van het EVRM. De kernvraag die daarbij beantwoording behoeft, is of verweerders eis dat eerst sprake is van een feitelijke gezinsband tussen huwelijkspartners wanneer er is samengewoond, harmonieert met de rechtspraak van het EHRM. De rechtbank leidt uit overwegingen 61 en 62 van het arrest Abdulaziz, Cabales en Balkandi van het EHRM af dat indien sprake is van een wettig en oprecht huwelijk, de omstandigheid dat een echtpaar nog niet samenwoont of heeft samengewoond niet zonder meer en onder alle omstandigheden aan hen worden tegengeworpen. Op basis hiervan en nog een paar steunargumenten komt de rechtbank tot de conclusie dat er een te grote discrepantie is tussen de door verweerder in deze zaak voorgestane uitlegging van het begrip feitelijke gezinsband in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f van de Vw 2000 en artikel 8 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl