Rb. 's-Gravenhage 12 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8902
Niet gewezen op consulaire bijstand / bewaring onrechtmatig Eiser is bij zijn gehoor in het kader van de inbewaringstelling ten onrechte niet gewezen op het recht op consulaire bijstand. Ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van dit gebrek en de daardoor geschonden belangen. Verweerder heeft betoogd dat bij de belangenafweging dient te worden meegewogen dat eiser het onderzoek frustreert door geen actie te ondernemen om aan documenten te komen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State van 23 februari 2009 (LJN BH5066) leidt de rechtbank af dat het element frustratie enkel kan worden meegewogen indien de vreemdeling voorafgaand aan en ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring alle medewerking aan zijn verwijdering weigert. Zulks is in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken. Eiser heeft voorts gesteld dat hij in het bijzonder in zijn belang is geschaad nu hij niet wist dat hij de consul kon benaderen en van die mogelijkheid graag gebruik had gemaakt. Verweerder heeft dit niet betwist. De door verweerder aangevoerde, en niet betwiste gronden, te weten dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, zich niet heeft gemeld bij de korpschef en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, alsmede het feit dat eiser al meer dan drie jaar illegaal in Nederland verblijft, wegen niet op tegen de geconstateerde ernst van het gebrek en eisers daardoor geschade belang.
De uitspraak op rechtspraak.nl