Rb. 's-Gravenhage 18 februari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH3841

In geschil is de vraag of de zinsnede ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in artikel 5, derde lid, van de SGC zo kan worden uitgelegd dat het geheel aan de lidstaten is overgelaten om de aan garantstelling te stellen vereisten, waaronder dat van de duurzaamheid van de inkomsten, binnen de grenzen van het redelijke in nationale regelgeving in te vullen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het in paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 weergegeven beleid de toegang mag worden geweigerd als het inkomen van de garantsteller van een visumaanvrager niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet. Dit brengt in de redenering van verweerder mee dat het duurzaamheidsvereiste ook mag worden gesteld bij een aanvraag van een Schengenvisum. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of de nationale regelgeving inderdaad toestaat dat de toegang wordt geweigerd indien het inkomen van de garansteller niet aan het duurzaamheidsvereiste voldoet. In de nationale regelgeving is de garantstelling geregeld in artikel 2.11 van het Vb 2000. Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, waarin staat dat de toegang tot Nederland wordt geweigerd aan de vreemdeling die niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd. De rechtbank constateert allereerst dat artikel 2.11 van het Vb 2000 het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 niet van overeenkomstige toepassing verklaart. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3 van de Vw 2000 eenduidig blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 in een situatie als de onderhavige niet zou worden gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat beleidsonderdeel A2/4.3.3.1 van de Vc 2000 strijdig is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover in dat beleidsonderdeel is bepaald dat een garantsteller alleen solvabel is indien (onder meer) aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000 is voldaan. Het beleidsonderdeel is dan ook wegens strijd met de wet niet verbindend. Hieruit volgt dat de nationale regelgeving niet toestaat dat de toegang wordt geweigerd op de grond dat het inkomen van een garantsteller niet voldoet aan het duurzaamheidsvereiste van artikel 3.75 van het Vb 2000. Dat brengt mee dat evenmin kan worden volgehouden dat om te kunnen spreken van ‘garantstellingsverklaringen van de gastheer/-vrouw als gedefinieerd in nationale wetgeving’ in de zin van artikel 5, derde lid, van de SGC, moet zijn voldaan aan het bedoelde duurzaamheidsvereiste.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen