Rb. 's-Gravenhage 15 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7090

Is de beschikking voorlopig of definitief? Herziening of intrekking van een onherroepelijk vaststaand, begunstigend besluit. Reikwijdte gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Ondernemerschap. Art. 24b, derde lid, Wet MRB (tekst van 1 juli 2005 tot 1 januari 2007), art. 4 Zesde BTW-richtlijn, art. 7 Wet OB 1968, art. 26 AWR. Formeel Verweerder kan aan een beschikking geen voorlopig karakter geven indien de wet daarin niet voorziet. Indien de wet geen regeling bevat inzake de intrekking of de wijziging van een onherroepelijk vaststaande, begunstigende beschikking, kan verweerder, gelet op het legaliteitsbeginsel, niet de bevoegdheid worden ontzegd deze beschikking in te trekken of te herzien, mits daarbij de algemene rechtsbeginselen in acht worden genomen. Het rechtszekerheidsbeginsel noopt in de regel tot een “ex nunc”- werking van de intrekking van een begunstigende beschikking. In dit geval is er aanleiding om van deze regel af te wijken omdat eiser van meet af aan begreep of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat verweerder, mocht na het geven van de beschikking blijken dat dit ten onrechte was gebeurd, zou overgaan tot intrekking van de beschikking. Hoewel de beschikking, waarbij verweerder de onherroepelijk vaststaande, begunstigende beschikking heeft ingetrokken, geen voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van art. 26 AWR is, brengt een redelijke rechtstoepassing in dit geval mee dat tegen de intrekkingsbeschikking de normale rechtsmiddelen openstaan. Materieel Eiser verricht uitsluitend diensten om niet. Deze dienstverrichting is geen economische activiteit in de zin van art. 4 van de Zesde BTW-richtlijn. Alsdan is eiser geen ondernemer in de zin van art. 7 Wet OB 1968 en voldoet hij niet aan de in art. 4 van de Wet MRB voor de toepassing van het ondernemerstarief gestelde voorwaarde van het ondernemerschap.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen