Rb. 's-Gravenhage 24 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0906

WBV 2007/7 / vrouwen met een westerse levensstijl / na vertrek uit land van herkomst / motivering De rechtbank leest verweerders beleid dat het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst in de regel toch niet zal leiden tot verblijfsaanvaarding, aldus dat hierop uitzonderingsgevallen mogelijk zijn. De rechtbank leidt dit af uit het woord “in de regel”. De rechtbank vindt bevestiging voor deze uitleg van het beleid in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 maart 2006 (JV 2006/152). De AbRS heeft hierin geoordeeld dat uit WBV 2004/60 volgt dat het aan de betrokken vrouw is om met haar persoonlijk aangaande feiten of omstandigheden aannemelijk te maken dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen. Verweerder had in die zaak gemotiveerd dat de vrouw dit niet aannemelijk had gemaakt. Hieruit moet worden afgeleid dat het beleid aldus ruimte laat voor Afghaanse vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen, om aannemelijk te maken dat het van hen niet kan worden gevergd om zich bij terugkeer te accommoderen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat het beleid kennelijk onredelijk is of dat dit beleid in strijd is met het Vluchtelingenverdrag. In het onderhavige geval heeft verweerder zich in het bestreden besluit echter niet op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich bij terugkeer niet zou kunnen accommoderen. Verweerder heeft slechts overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in haar land van herkomst zwaarwegende problemen heeft ondervonden vanwege haar westerse levensstijl. In zoverre ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen