Rb. 's-Gravenhage 1 april 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2455

Navordering inkomstenbelasting 1998. Bemiddelingsprovisie van ca. fl. 400.000 van Duitse opdrachtgever uitbetaald op Zwitserse bankrekening. Eiser erkent in elk geval ca. fl .200.000 niet hebben aangegeven. Hij heeft daarom niet de vereiste aangifte gedaan, zodat de omkering van de bewijslast geldt. Eiser toont niet overtuigend aan dat de resterende fl. 200.000 was bestemd voor en is betaald aan zijn zwager, die eveneens betrokken was bij de bemiddeling. De navorderingstermijn van 12 jaar is van toepassing. Onverkorte toepassing van het bepaalde in artikel 16, vierde lid, AWR in een geval als het onderhavige is niet in strijd met enige bepaling van Europees recht of mensenrechtenverdragen. Onder verwijzing naar HR BNB 1992/295 gaat de rechtbank niet in op eisers aanbod om hem onder ede te horen. Ten aanzien van de vergrijpboete overweegt de rechtbank onder meer als volgt. De rechtbank acht naar de maatstaf van artikel 27e, aanhef en onderdeel a, AWR niet overtuigend aangetoond dat de helft, althans enig deel, van de provisie was bestemd voor en is genoten door de zwager. Naar de maatstaf van een normale verdeling van de bewijslast acht de rechtbank (wèl) aannemelijk geworden dat er tussen eiser en zijn zwager onenigheid is ontstaan als gevolg van het van de Duitse fiscus ontvangen renseignement betreffende de provisie. De rechtbank kan niet uitsluiten dat de zwager, zoals belanghebbende heeft gesteld, daadwerkelijk de helft van de provisie heeft genoten (en zulks ook in fiscale zin). Indien dit het geval is geweest, treft de opgelegde boete van 50% belanghebbende in zoverre onevenredig hard. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om de verzwaarde bewijspositie van belanghebbende in aanmerking te nemen als een omstandigheid waarmee bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden (vergelijk Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN BC1962). Zij zal op grond daarvan de boete ter zake van dat deel van de nagevorderde belasting dat is vastgesteld met gebruikmaking van de omkering van de bewijslast beperken tot 25% van die nagevorderde belasting. Over het resterende deel van de nagevorderde belasting zal de rechtbank de boete van 50% handhaven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen