Rb. 's-Gravenhage 10 januari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8005

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voortijdige beëindiging van eisers tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR.De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbeert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen