Rb. 's-Gravenhage 17 januari 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2673

Fair play en zorgvuldigheid ten aanzien van aangegeven beperking / artikel 6, eerste lid, Associatiebesluit 1/80 / intentieverklaring / uitzendovereenkomst / dezelfde werkgever De rechtbank overweegt dat gelet op het wettelijk stelsel, neergelegd in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, verweerder - in het algemeen gesproken - aanvragers van een reguliere verblijfsvergunning terecht in de gelegenheid stelt een beperking als bedoeld in laatstgenoemde bepaling aan te geven. Uit dit wettelijk stelsel vloeit tevens voort dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de door de vreemdeling aangegeven beperking, nu het aan de vreemdeling is om te bepalen met het oog op welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning aanvraagt. In bijzondere omstandigheden kan evenwel de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid met zich brengen dat verweerder afwijkt van de door de vreemdeling aangegeven beperking dan wel met (de gemachtigde van) de vreemdeling overlegt over de aangegeven beperking. Dit kan het geval zijn indien die beperking, gelet op het feitelijk gewenste verblijfsdoel, kennelijk niet aan de orde is of kennelijk op een vergissing berust. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de conclusie getrokken dat eiser slechts een verlengingsaanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid in loondienst bij Clean Lease Randstad BV op grond van het Turkse Associatie Verdrag'. Het had op de weg van verweerder gelegen om met eiser dan wel met (de gemachtigde van) eiser te overleggen over de aangegeven beperking. Verweerder had kunnen en moeten afleiden dat de door eiser aangegeven beperking kennelijk op een vergissing berustte. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser op grond van artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het Besluit 1/80 geen recht zou hebben op verlenging van zijn arbeidsvergunning nu eisers werkgever expliciet heeft aangegeven dat er nog voor ten minste één jaar werkgelegenheid voorhanden was voor eiser. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan de intentieverklaring dan wel aan de telefonische toezeggingen van de heer Van Vliet dat aan eiser zeker een contract voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden indien eisers verblijfsvergunning verlengd zou worden. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte de periode dat eiser heeft gewerkt voor het uitzendbureau WPD niet heeft betrokken bij de driejarenperiode in het kader van artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van het Besluit 1/80. Nu eiser voor dezelfde inlener heeft gewerkt, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk gedaan aan de systematiek van artikel 6, eerste lid, te weten een geleidelijke opbouw van rechten, en, bovendien voldaan aan de eis dat hij gedurende drie jaren bij dezelfde werkgever arbeid heeft verricht. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom, nu in dit individuele geval steeds is gewerkt voor dezelfde inlener, verweerder eiser de bescherming van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 onthoudt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen