Rb. 's-Gravenhage 21 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3179
Verzoeker (DGA) stelt zich in 2004 jegens de bank voor € 500.000 borg voor schulden van 'zijn' BV. In 2005 staakt de BV haar activiteiten en wordt verzoeker door de bank voor € 500.000 aangesproken. Verzoeker claimt voor 2005 een negatief resultaat uit een werkzaamheid van € 500.000. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verkrijgt een borg reeds bij het aangaan van de borgtochtovereenkomst jegens de hoofdschuldenaar een regresvordering onder de opschortende voorwaarde dat hij als borg heeft betaald (vergelijk HR 3 mei 2002, nr. R00/110HR, NJ 2002,393). Deze - voorwaardelijke - regresvordering behoort in een geval als het onderhavige tot het werkzaamheidsvermogen van de belastingplichtige en moet op de balans van de werkzaamheid te worden opgenomen voor de waarde, welke daaraan door de borg per de balansdatum is toegekend en redelijkerwijs kon worden toegekend op grond van de omstandigheden, waardoor de waarde per die datum kon worden beïnvloed, zoals die omstandigheden hem bij het opmaken van de balans bekend waren (vergelijk HR 23 maart 1955, nr. 12 238, BNB 1955/170). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat verzoeker, die stelt dat de regresvordering op de balans van zijn werkzaamheid moet worden geactiveerd voor € 500.000 en dat de vordering in 2005 moet worden afgewaardeerd tot nihil, deze stellingen aannemelijk maakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet geslaagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl