Rb. 's-Gravenhage 1 oktober 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6012

Moratorium / verlengingsaanvraag niet binnen redelijke termijn De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vluchteling’ (AMV) van eiser is laatstelijk verlengd tot 16 maart 2004 (de datum waarop eiser de leeftijd van 18 jaar bereikte). De aanvraag van 5 januari 2004 van eiser om deze vergunning onder de beperking AMV te verlengen is afgewezen en het bezwaar hiertegen bij besluit van 14 december 2004 ongegrond verklaard. Op 24 augustus 2005 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ aangevraagd. Bij besluit van 10 augustus 2006 wordt deze aanvraag afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 2 maart 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 29 mei 2007 (WBV 2007/10) voor Guinee is een besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers is ingesteld, geldig van 20 april 2007 tot 20 april 2008. Eiser beroept zich hierop. De rechtbank stelt vast dat de invoering van het besluit- en vertrekmoratorium dateert van na het bestreden besluit. Gelet op de ex tunc toetsing in beroep kan het besluit- en vertrekmoratorium niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. In de artikelen 3.80 en 3.82 van het Vb 2000 zijn regels opgenomen die bepalen onder welke omstandigheden een aanvraag, die na afloop van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is ingediend, nog wordt beoordeeld als een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning. Hiervan is onder meer sprake indien deze aanvraag wordt gedaan binnen een redelijke termijn na het aflopen van de verblijfsvergunning. Uit B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt dat deze redelijke termijn wordt gesteld op een termijn van zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. De onderhavige aanvraag is ingediend op 24 augustus 2005, ruim zeventien maanden na het aflopen van de verleende verblijfsvergunning. De aanvraag is derhalve niet binnen een redelijke termijn ingediend. Evenmin zijn door eiser verschoonbare redenen aangevoerd waarom de aanvraag niet-tijdig is ingediend. Derhalve is de aanvraag, ingevolge artikel 3.82, tweede lid, van het Vb 2000 terecht aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating. Uitgangspunt is immers dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag, desnoods door tussenkomst van derden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen