Rb. 's-Gravenhage 15 oktober 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5572
Met Verordening (EG) nr. 1468/2006 van 4 oktober 2006 zijn de regels omtrent de negatieve vetcorrectie in de superheffing voor melkaanvoer gewijzigd. Het mechanisme van de negatieve (en positieve) vetcorrectie is oorspronkelijk in het leven geroepen om natuurlijke schommelingen in het vetgehalte op te vangen. Per 1 april 2007 is de mogelijkheid om ongelimiteerd gebruik te maken van de negatieve vetcorrectie komen te vervallen. De gemeenschapswetgever heeft daarmee een einde willen maken aan het oneerlijk gebruik van de negatieve vetcorrectie waardoor melkveehouders die quota met een zeer hoog referentievetgehalte hadden aangekocht, aanzienlijk meer melk met een lager vetgehalte konden leveren, zonder dat superheffing was verschuldigd of tegen een veel lagere superheffing dan zonder de toepassing van de negatieve vetcorrectie verschuldigd zou zijn. Eisers, melkproducenten met een melkquotum met een hoog referentievetgehalte, kunnen als gevolg van de beperking van de negatieve vetcorrectie met ingang van de heffingsperiode 2007/2008 een aanzienlijk kleinere hoeveelheid melk heffingvrij leveren. Zij vorderen in dit kort geding de Staat te veroordelen om hen een extra quotum toe te kennen, zodanig dat zij de hoeveelheid melk die zij in de heffingsperiode 2006/2007 hebben geleverd, ook na 1 april 2007 kunnen blijven leveren, totdat het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak heeft gedaan in de door hen te entameren bodemzaak. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde af. Naar zijn oordeel laat de wijze waarop eisers gebruik hebben gemaakt (en willen blijven maken) van de negatieve vetcorrectie zich inderdaad niet goed verenigen met de doelstelling van het systeem van de superheffing. Van ernstige twijfels over de geldigheid van Verordening (EG) nr. 1468/2006 is geen sprake en de door de Straat aangeboden overgangsregeling komt niet onredelijk voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl