Rb. 's-Gravenhage 5 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0452
Eiser is een zogeheten lijnrijder op een bloemenlijn in Duitsland. In het kader van zijn onderneming vervoert eiser bloemen en planten met een vrachtwagen naar Duitsland om de aldaar gevestigde afnemers, bloemenwinkels en groothandels, te bezoeken en te beleveren. De rechtbank gaat er van uit dat niet de ontbonden BV in bezwaar en beroep is gekomen maar eiser. Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser geen BZM verschuldigd is. De term 'uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg' in artikel 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen dient in het licht van het in Richtlijn 1999/62/EG gebezigde begrip 'uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg' te worden uitgelegd. Niet kan worden gezegd dat het onderhavige motorrijtuig uitsluitend is bestemd om regelmatig en duurzaam aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Gelet op de kenmerkende eigenschappen van dit motorrijtuig en de ondernemingsactiviteiten van eiser, is dit voertuig naar het oordeel van de rechtbank mede en voor een belangrijk deel bestemd om van daaruit goederen te verkopen. Het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën, dat om buiten de heffing te blijven, het goederenvervoer ondergeschikt moet zijn aan het eigenlijke gebruiksdoel (Besluit 19 augustus 1996, VB 95/4190), vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de tekst of bedoeling van de richtlijn. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl