Rb. 's-Gravenhage 3 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA9347

Centraal-Irak / categoriale bescherming / artikel 15c en 17, eerste lid, onder b van de Definitierichtlijn. Verweerder heeft voldoende steekhoudende argumenten aangedragen om het relaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit van 17 juli 2006 op het standpunt gesteld dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Centraal-Irak niet langer van bijzondere hardheid is. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Centraal-Irak. De brief van de staatssecretaris van 2 april 2007 brengt met zich dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de veiligheidssituatie in Irak zodanig is verslechterd dat verweerder in redelijkheid niet langer heeft kunnen volhouden dat het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid niet geboden is. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens een onjuiste toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, zulks onder gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. In het onderhavige geval is gebleken dat er ten aanzien van eiser sprake is van een contra-indicatie. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat eisers veroordeling ter zake van een misdrijf aanleiding is om aan eiser de verblijfsvergunning op de d-grond te onthouden. Het door eiser aangevoerde vormt geen aanleiding om onder toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het beleid. Eiser heeft aangevoerd dat het niet voeren van een beleid voor categoriale bescherming voor Centraal Iraakse asielzoekers strijd met artikel 15c van de Definitierichtlijn, en dat hij op grond van dit artikel in aanmerking dient te komen voor subsidiaire bescherming. Voorts kan verweerder ingevolge artikel 17, eerste lid, onder b, van de Definitierichtlijn eiser niet tegenwerpen dat hij in Nederland is veroordeeld voor het plegen van mishandeling. Subsidiaire bescherming kan alleen worden onthouden wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Daarvan is volgens eiser geen sprake. Categoriale bescherming ziet op een vorm van bescherming op grond van nationaal recht, die eerder valt te brengen onder het begrip toegestaan verblijf “om redenen die geen verband houden met een behoefte aan internationale bescherming, maar op discretionaire basis, uit mededogen of op humanitaire gronden” zoals bedoeld in overweging 9 van de Preambule bij de Definitierichtlijn. Ingevolge deze overweging vallen onderdanen aan wie om de genoemde redenen verblijf is toegestaan niet onder de Definitierichtlijn. Voorts acht de rechtbank van belang dat in overweging 26 van de Preambule van de Definitierichtlijn is bepaald dat gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, normaliter op zichzelf geen individuele bedreiging vormen die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Dit individualiseringsvereiste blijkt tevens met zoveel woorden uit artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, waarin is aangegeven dat de genoemde bedreiging niet alleen ernstig maar ook individueel bepaald moet zijn. Dat is met categoriale bescherming nu juist niet het geval. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het begrip subsidiaire bescherming uit de Definitierichtlijn niet mede omvat of anderszins betrekking heeft op het begrip categoriale bescherming als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen