Rb. 's-Gravenhage 22 mei 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AX4451
Opvang / beëindiging verstrekkingen / inspanningsverplichting / schrijnende omstandigheden / artikel 2 IVRK. De rechtbank stelt vast dat artikel 2, eerste lid, IVRK als een ieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in artikel 93 en artikel 94 Grondwet moet worden aangemerkt. Het in artikel 2, eerste lid, IVRK gewaarborgde recht strekt zich, gelet op de bewoordingen ervan, uit tot alle in het verdrag beschreven materiële rechten van het kind. Tot die materiële rechten behoren de in artikel 27 IVRK beschreven rechten. De verstrekkingen door verweerder moeten worden geacht te vallen onder de in artikel 27 IVRK beschreven rechten. De rechtbank acht vervolgens de toepassing van artikel 23 Rva 2005 en de Herziene Werkwijze Stappenplan III op kinderen en hun ouders die niet rechtmatig hier te lande verblijven, ook tegen de achtergrond van het IVRK, in beginsel een evenredig middel om te voldoen aan het uitgangspunt van de Wet COA en de Rva 2005. Het verstrekken van voorzieningen aan vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben en op wie een vertrekplicht rust, kan het (illegaal) verblijf hier te lande stimuleren, waardoor het Nederlandse vreemdelingenbeleid zou worden doorkruist. Het onderscheid dat ontstaat tussen kinderen van wie de ouders niet aan hun inspanningsverplichting hebben voldaan en kinderen van wie de ouders wel aan die verplichting hebben voldaan wordt door de rechtbank in deze situatie gerechtvaardigd geacht. Anders ligt dat in de situatie dat er sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw 2000. Hoewel de Nederlandse staat eisers en hun kinderen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, heeft hij welbewust aanvaard en toegestaan dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Aldus heeft de Nederlandse staat ook een zekere uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van de kinderen van eisers op zich genomen, zonder daarbij overigens iets af te doen aan de primaire verantwoordelijkheid van eisers als ouders van deze kinderen. Eisers zullen niet meer beschikken over bestaansmiddelen nadat verweerder tot feitelijke beëindiging van de verstrekkingen zal overgaan. Eisers zullen daarom, hoewel zij rechtmatig in Nederland verblijven, niet meer zelfstandig kunnen voldoen aan hun zorgplicht als ouders. Gedurende de periode waarin de kinderen rechtmatig in Nederland verblijven, is de toepassing van artikel 23 Rva 2005 en de Herziene Werkwijze Stappenplan III jegens de kinderen van eisers op grond van artikel 2, eerste lid, IVRK, tegen de achtergrond van het beginsel van verhoogde beschermwaardigheid van kinderen in het algemeen en met inachtneming van artikel 2, tweede lid, artikel 3 en artikel 27 IVRK in het bijzonder, naar het oordeel van de rechtbank geen evenredig middel om te voldoen aan de doelstelling van de Wet COA en de Rva 2005. Onverkorte toepassing van artikel 23 Rva 2005 en de Herziene Werkwijze Stappenplan III op de kinderen van eisers is daarom in dit geval in strijd met artikel 2, eerste lid, IVRK. Verweerder heeft ten onrechte de verstrekkingen ten behoeve van de minderjarige kinderen beëindigd. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl