Rb. 's-Gravenhage 30 maart 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:AP3637
Verweerder heeft eiseres met ingang van 1 februari 2002 in tijdelijke dienst aangesteld in de functie van […]. Deze aanstelling is geschied op grond van artikel 6, tweede lid, sub a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR). Bij brief van 4 november 2002 heeft verweerder eiseres op de hoogte gebracht van zijn voornemen de aanstelling te beëindigen met ingang van 1 februari 2003 en heeft hij haar in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken haar zienswijze kenbaar te maken. Het gehandhaafde besluit steunt op de overweging van verweerder dat het functioneren van eiseres in de functie van […] onder het voor de functie vereiste niveau blijft, ondanks de haar geboden werkbegeleiding. Verweerder heeft hierbij met name het oog op het afhandelen van administratieve uitzonderingen, de onverwachte problemen en het corrigeren van gemaakte administratieve fouten. Deze werkzaamheden betreffen een substantieel deel van het takenpakket van eiseres. Het verrichten van genoemde werkzaamheden, maar ook van de meer routinematige werkzaamheden, vraagt volgens verweerder aanzienlijk meer tijd van eiseres dan noodzakelijk is.
De uitspraak op rechtspraak.nl