Rb. 's-Gravenhage 22 mei 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AG0141

Bewaring / Bjj / IVRK. Bij de Vw 2000 is geen van het in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) neergelegde stelsel afwijkende regeling getroffen. Daardoor eisen artikel 2, eerste lid en artikel 9 Bjj, gelezen in het licht van artikel 37, aanhef en onder c, IVRK in beginsel dat een zeventienjarige vreemdeling aan wie de maatregel van bewaring wordt opgelegd in een jeugdinrichting wordt geplaatst. Eiseres is een zeventienjarige vreemdelinge. Zij zit in vreemdelingenbewaring in een huis van bewaring. Gesteld noch gebleken is dat zij aldaar gescheiden wordt gehouden van volwassenen. De tenuitvoerlegging van de bewaring is derhalve in strijd met de wet. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak 200300583/1 van de ABRS van 24 februari 2003. De argumenten die verweerder ter zitting heeft aangedragen om de bewaring desondanks niet op te heffen, slagen niet. Nu verweerder desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard om organisatorische redenen niet te kunnen voldoen aan een eventueel door de rechtbank te bevelen wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring, ziet de rechtbank geen grond om vorenbedoelde wijziging te bevelen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen