Rb. 's-Gravenhage 13 mei 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF9651
Sudan / vvtv / heroverweging in bezwaar Op het bezwaarschrift tegen het niet verlengen van de vvtv is afwijzend beslist. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit d.d. 28 juni 2001 niet zonder meer op het bezwaar had mogen beslissen onder toepassing van het beleid dat na 8 september 2000 van kracht is geworden. Het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit is gebaseerd op de beleidswijziging van 20 november 1998 die deze rechtbank in de REK-uitspraak van 2 juni 1999 onrechtmatig heeft geacht. Verweerder had het bezwaar van eiseres nadien op grond van werkinstructie 186A kennelijk gegrond kunnen verklaren onder verlenging van de vvtv. In dat geval zou eiseres op een datum gelegen vóór de beleidswijziging van 8 september 2000 op grond van artikel 13a Vw in aanmerking zijn gekomen voor een vtv. Hoewel verweerder in bezwaar in beginsel ex nunc kan beslissen, brengt dit uitgangspunt niet met zich mee dat verweerder zich bij de heroverweging geen rekenschap dient te geven van de onrechtmatigheid van het primaire besluit gedurende een aanzienlijk deel van de bezwaarprocedure en de consequenties daarvan voor de rechtspositie van eiseres. In het bijzonder is daarbij van belang dat eiseres op het moment van de beleidswijziging reeds in het bezit zou zijn geweest van de vtv op grond van artikel 9 Vw en verweerder op dat moment de rechtspositie van eiseres niet meer had kunnen wijzigen op grond van die beleidswijziging. Daarbij stelt de rechtbank vast dat verweerder in het kader van laatstgenoemde beleidswijziging geen overgangsrecht heeft geformuleerd, zodat niet blijkt dat verweerder zich de consequenties van een ex nunc beoordeling van het bezwaar na die wijziging, in een geval als dat van eiseres, heeft gerealiseerd. Omdat verweerder heeft nagelaten om de verblijfsaanspraak bij de heroverweging te betrekken, is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 Awb. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl