Rb. 's-Gravenhage 31 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8269
Sierra Leone / categoriaal beschermingsbeleid. Verweerder heeft een ruime beleids- en beoordelingsvrijheid inzake beslissingen omtrent het al dan niet voeren van een categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van een bepaald land. Daarover legt verweerder in de Tweede Kamer verantwoording af aan de hand van een zogenaamde beleidsbeslissing, in casu de beleidsbrief van 16 september 2002. Gelet hierop en op artikel 4:82 Awb is de rechtbank van oordeel dat verweerder op dit punt ter motivering van individuele beschikkingen in beginsel kan volstaan met een verwijzing naar de door de Tweede Kamer geaccordeerde beleidsbeslissing. Dit neemt niet weg dat, indien een vreemdeling gemotiveerd betoogt dat verweerder niet in redelijkheid tot een bepaalde beslissing heeft kunnen komen, verweerder daaraan niet zonder meer voorbij kan gaan. Naar het oordeel van de rechtbank scheppen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, in een dergelijk geval een reactieplicht voor verweerder. Uit de uitspraak van de ABRS d.d. 22 november 2002 kan de rechtbank niet afleiden dat verweerder in gevallen als het onderhavige in zijn algemeenheid een dergelijke plicht niet zou hebben. De rechtbank laat meewegen dat, indien verweerder in zijn betoog gevolgd zou moeten worden, de rechtbank zich in beroep een oordeel zou moeten aanmeten over de houdbaarheid in rechte van een beleidsbeslissing van verweerder (mede) op grond van stukken en argumenten waarop verweerder in de aan het beroep ten grondslag liggende beschikking in het geheel niet heeft gereageerd en ook niet heeft willen reageren. Dit verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met het primaat van het bestuursorgaan bij de feitenvaststelling en de beleidsbepaling. Dit klemt te meer in zaken als de onderhavige, waarin het bestuursorgaan een grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid heeft. De rechter dient deze vrijheid te eerbiedigen, maar zal daartoe dan ook door het bestuursorgaan in de gelegenheid moeten worden gesteld. De rechtbank acht het, gelet op de processuele gang van zaken, niet gepast om te bezien of de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking wellicht in stand zouden kunnen blijven. De rechtbank laat hierbij wegen dat verweerder niet heeft verzocht om bij een eventuele vernietiging van het besluit de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zij rechtens gehouden zou zijn te bezien of de rechtsgevolgen van de bestreden beschikking in stand gelaten moeten worden. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl