Rb. 's-Gravenhage 7 oktober 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1386
Bewaring / politiecel / tiendagentermijn. De vreemdeling heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard een asielaanvraag te willen doen. De vreemdeling is vooruitlopend op die aanvraag op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de inbewaringstelling in zoverre op een onjuiste grondslag berust. Voor de beoordeling van de gevolgen daarvan is de rechtbank van oordeel onder verwijzing naar de Afdelinguitspraak van 31 juli 2002 (ABRS 200203208/1) dat de bewaring eerst dan onrechtmatig is indien de met de voortzetting van de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is in dit geval geen sprake. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in het bevel als grondslag voor het inroepen van het belang van de openbare orde vermelde feiten en omstandigheden niet zijn bestreden en aan de actualiteit daarvan niet was afgedaan ten tijde van het indienen van de asielaanvraag. Voorts is nog in de loop van dezelfde dag waarop de vreemdeling in bewaring is gesteld door de vreemdeling een schriftelijke aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bovendien strekt de door verweerder weliswaar onjuist gehanteerde grondslag als zodanig ter bescherming van de vreemdeling. In zoverre is het beroep ongegrond. Met betrekking tot de wijze van ten uitvoerlegging van de rechtmatig opgelegde maatregel van bewaring overweegt de rechtbank dat de vreemdeling ten tijde van de zitting nog steeds in een politiecel zat. De rechtbank stelt vast dat dit de elfde dag van de inbewaringstelling is, waarbij ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A5/5.3.6.1 Vc 2000 de dag van inbewaringstelling zelf niet wordt meegeteld. Verweerder heeft volstaan met de enkele stelling dat capaciteitsgebrek er de oorzaak van is dat de vreemdeling ook na de tiende dag van de bewaring nog in een politiecel zit en nog niet is overgeplaatst naar een huis van bewaring. Onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraken 200204172/1 van 27 september en 200202752/1 van 19 juni 2002 is de rechtbank van oordeel dat een verdere tenuitvoerlegging van de bewaring op en na de zittingsdatum in een politiecel niet langer geoorloofd is. De wijze van tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel van bewaring dient te worden gewijzigd. Beroep in zoverre gegrond wegens strijd met artikel 5.4, tweede lid, Vb 2000.
De uitspraak op rechtspraak.nl