Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8541

Toepassing van Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel leidt niet tot discriminatie tussen gehuwd en ongehuwd personeel; geen toepassing art. 41 VBD (hardheidsclausule). Eiser, werkzaam bij de Koninklijke Marine, was op de Nederlandse Antillen geplaatst. Eisers verzoek om een hogere toelage buitenland is door verweerder afgewezen. Naar aanleiding van eisers verzoek heeft de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) hierover geoordeeld dat verweerder jegens eiser geen onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de CGB allereerst heeft geoordeeld dat verweerder geen direct onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt. Daartoe heeft de CGB - samengevat - overwogen dat het verschil in toelage voor de Antillen aan militairen met gezinsleden (al dan niet ter plaatse) en militairen zonder gezinsleden gebaseerd is op de woon- of leefomstandigheden van de militair, hetgeen niet op één lijn kan worden gesteld met onderscheid naar burgerlijke staat. Gehuwden en ongehuwd samenwonenden worden volgens de CGB door verweerder gelijk behandeld. De CGB heeft vervolgens onderzocht of een indirect onderscheid naar burgerlijke staat wordt gemaakt. Naar het oordeel van de CGB is zulks niet het geval, omdat de positie van de alleenstaande en ook de zelfstandig wonende voldoende in het onderzoek waarop het VBD gebaseerd is, is betrokken. Daar komt volgens de CGB nog bij dat verweerder toelagen verstrekt voor het zelfstandig wonen, waarop ook alleenstaande militairen aanspraak kunnen maken. Tot slot heeft de CGB geoordeeld dat ook het verschil in toelage geen indirect onderscheid tot gevolg heeft, gelet op het uiteindelijk relatief beperkte verschil in netto maandsalaris bij uiteenlopende omstandigheden. De rechtbank kan zich vinden in de conclusies van de CGB en ziet geen aanleiding anders te oordelen. Eisers beroep op de hardheidsclausule van art. 41 VBD kan evenmin slagen. Voor toepassing van de hardheidsclausule dient immers sprake te zijn van bijzondere omstandigheden waarin de individuele militair verkeert. Eisers beroep daarentegen is - kort gezegd - gericht tegen het systeem van het VBD waarin volgens eiser geen adequate regeling voor de ongehuwde walplaatser wordt geboden, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank als een algemeen argument dient te worden beschouwd. Het gaat hier om een situatie waarin - voor zover thans van belang - alle walplaatsers op de Nederlandse Antillen verkeren. Indien verweerder aanleiding zou zien tot wijziging daarvan, dient zulks plaats te vinden in het arbeidsvoorwaardenoverleg in de sector Defensie. Bovendien kan op grond van art. 8:2.a Awb, geen beroep worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift. Eiser heeft zijn beroep daarom anders moeten inkleden. Ook het feit dat eisers daadwerkelijke kosten hoger liggen dan de vergoeding die hij ontvangt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Derhalve is op goede gronden geen toepassing gegeven aan art. 41 VBD. Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AR5650

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen