Rb. 's-Gravenhage 2 september 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8401

Uitleg blijvende betalingsonmacht in de zin van art. 61.1 WW. Eiser heeft verweerder d.d. 28 december 1999 verzocht om wegens onmacht van de werkgever (X) overname van betalingsverplichtingen. X heeft eiser tot en met 30 september 1999 zijn volledige loon betaald. Verweerder heeft overname geweigerd aangezien X niet geacht werd in een blijvende toestand van betalingsonmacht te verkeren. Medio 2000 werd het faillissement van X aangevraagd. Op 24 mei 2000 werd voorlopige surséance van betaling verleend. Op 28 augustus 2000 heeft de rechtbank definitieve surséance van betaling verleend tot 24 november 2001. Eiser heeft zijn dienstverband met X per 15 mei 2000 beëindigd, omdat hij ander werk had gevonden. De rechtbank is, gelet op de wetsgeschiedenis, van oordeel dat blijvende betalingsonmacht in de zin van art. 61.1 WW niet betekent dat de werkgever permanent in betalingsonmacht moet verkeren maar dat daaronder ook moet worden verstaan de toestand die wordt bereikt indien de werkgever gedurende een bepaalde tijd niet over de middelen beschikt om aan zijn loonbetalingsverplichtingen te voldoen. Nu in het onderhavige geval tot op heden geen betaling door de bewindvoerder van X aan eiser heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het tijdsverloop moet worden geconcludeerd dat er ten tijde van het primaire besluit van 16 oktober 2000, alsmede ten tijde van het bestreden besluit medio 2001, een jaar na verlening van de surséance, sprake was van blijvende betalingsonmacht. Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. M.M. Smorenburg

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen