Rb. 's-Gravenhage 13 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5242
Bewaring / opheffing / kennisgeving. De vreemdelingenbewaring is daags na de oplegging ervan reeds opgeheven. De IND heeft daags na de opheffing van de bewaring een kennisgeving ex artikel 94 Vw 2000 verzonden. Ter zitting is medegedeeld dat de IND slechts kennisgevingen verzendt, indien de vreemdelingenbewaring nog niet is opgeheven, alsmede dat in dit geval de kennisgeving per abuis is verzonden. Ambtshalve onderzoekt de rechter of de als kennisgeving aangeduide brief een kennisgeving in de zin van artikel 94 Vw 2000 is. Op grond van de duidelijke tekst van die bepaling wordt geoordeeld dat de IND ook een kennisgeving dient te doen wanneer de bewaring reeds is opgeheven. De wetsgeschiedenis bevat geen duidelijke aanwijzing dat er geen kennisgeving gedaan behoeft te worden als de bewaring reeds is opgeheven. Voor een toetsing van een reeds opgeheven bewaring bestaat naar het oordeel van de rechter geen aanleiding, tenzij de vreemdeling er zelf om heeft verzocht middels indiening van een beroepschrift. Maar het ligt in dit geval niet op de weg van de rechter in eerste aanleg (maar van de ABRS) om af te wijken van de duidelijke wettekst. Daarom is het met de kennisgeving ingeleide beroep ontvankelijk. Gezien dit oordeel moet verweerder zijn praktijk om geen kennisgeving te verzenden indien de bewaring al is opgeheven, veranderen. Het besluit tot bewaring wordt vernietigd, omdat ten onrechte is overwogen dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verbleef. Verweerder had gebruik moeten maken van de (verlengde) ophouding tot wel duidelijk zou zijn geworden dat eiseres rechtmatig verblijf had. Het verzoek om schadevergoeding en een proceskostenveroordeling wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl