Rb. 's-Gravenhage 4 maart 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2489
De aanvrager van bijzondere bijstand dient Nederlander te zijn, niet het minderjarig kind ten behoeve waarvan bijstand wordt gevraagd. Weigering toekenning bijstand t.b.v. twee minderjarige kinderen, voor de kosten van reizen van het huisadres naar een school, beschikkend over internationale schakelklas, in een andere stad. Verweerder heeft daarbij overwogen dat beide kinderen geen Nederlander zijn en voor de Abw evenmin met een Nederlander gelijkgesteld kunnen worden. Rechtbank: Het zijn de aanvragers die Nederlander dienen te zijn dan wel dienen te beschikken over rechtmatig verblijf zoals genoemd in art. 7.2 Abw. Toekenning van bijstand wordt afgestemd op het gezin, waaronder de gehuwden met de tot hun last komende kinderen wordt verstaan. Een kind komt ten laste van de ouders wanneer het een eigen kind of stiefkind is dat in Nederland woont en waarvoor de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. Nu in casu de aanvragers over rechtmatig verblijf beschikken en in art. 4 Abw niet als voorwaarde staat dat het kind dient te beschikken over rechtmatig verblijf, bestaat er geen wettelijke grondslag voor afwijzing van bijstand op grond van ontbreken van rechtmatig verblijf van de kinderen. Beroep gegrond. Het beroep op art. 26 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, art. 13 Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, art. 14 Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, art. 2 eerste Additioneel Protocol EVRM, art. 28 Verdrag inzake de Rechten van het Kind slaagt echter niet, nu geen van de genoemde bepalingen een ieder verbindende voorschriften bevat. College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder. mrs. A.A.M. Mollee, L.P. Bosma, F.J. Verbeek
De uitspraak op rechtspraak.nl