Rb. 's-Gravenhage 19 oktober 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8399

Opheffing ongewenstverklaring. Verzoeker , een Italiaan, heeft op 1 maart 2001 verzocht om een vtv partner en arbeid als zelfstandige en opheffing van de ongewenstverklaring van 12 april 1999. Verweerder had uiterlijk op 1 september 2001 op de aanvraag om een vtv moeten beslissen. Het bezwaarschrift van 28 mei 2001, dat is ingediend tegen het uitblijven van een beslissing, is gezien het voorgaande prematuur ingediend en had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Ingevolge artikel 6:10, tweede lid, Awb kan de behandeling van het bezwaar of beroep worden aangehouden tot het begin van de termijn. De president leidt uit het feit dat verweerder op 6 september 2001 op bezwaar heeft beslist en niet alsnog een primair besluit heeft genomen af dat verweerder dit in casu heeft gedaan. De president acht deze gang van zaken niet onjuist. Ten aanzien van het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring bedraagt de beslistermijn ingevolge artikel 4:13, eerste lid, Awb maximaal acht weken. Het bezwaarschrift van 28 mei 2001 tegen het uitblijven van een beslissing is aldus niet prematuur ingediend. Het beroep voorzover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar is gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de ongewenstverklaring in stand moet blijven. De ongewenstverklaring staat in rechte vast omdat de rechtbank Amsterdam in de uitspraak 2000 AWB 00/1145 van 9 september heeft geoordeeld dat verzoekers beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond is. Verzoeker is geen begunstigd gemeenschapsonderdaan en daarom was verweerder niet gehouden te onderzoeken of hij een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde alvorens tot ongewenstverklaring over te gaan. Verzoekers stelling dat de voornoemde uitspraak op onjuiste gronden tot stand is gekomen miskent dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open staat. Voorzover verzoeker heeft bedoeld te verzoeken dat verweerder terug komt van de ongewenstverklaring overweegt de president dat verzoeker in onderhavige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die bij de vorige procedure geen rol konden spelen. De door verzoeker overgelegde stukken kunnen evenmin tot een andere beslissing aanleiding geven. Verzoeker heeft Nederland sinds de ongewenstverklaring niet verlaten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 WvSr. In onderhavige procedure kan geen rol spelen dat verzoeker mogelijk op dit moment voldoet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als gemeenschapsonderdaan. Het kan immers niet zo zijn dat verzoeker gedurende onrechtmatig, zelfs strafbaar verblijf rechten opbouwt. Gezien het voorgaande is artikel 6.6 Vb 2000 onverkort van toepassing op verzoeker. Hij voldoet niet aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen