Rb. 's-Gravenhage 4 april 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0891
Bewaring / illegalen / uitzetting. De vreemdeling is in bewaring gesteld vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel van vrijheidsontneming duurt nog steeds voort. De rechtbank moet allereerst beoordelen aan de hand van welke wettelijke bepalingen de rechtmatigheid van de bewaring van de vreemdeling getoetst dient te worden. De rechtbank overweegt dat het begrip recht, als bedoeld in artikel 121, tweede lid, Vw 2000, uitsluitend ziet op bepalingen van procesrechtelijke aard. Nu overgangsrecht ten aanzien van het materiële recht met betrekking tot vrijheidsontneming ontbreekt, brengt de inwerkingtreding van de Vw 2000, en daarmee de intrekking van de Vw 1994, mee dat de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van de vreemdeling en de voortduring van deze maatregel tot 1 april 2001 moet worden beoordeeld aan de hand van het materiële recht zoals dat tot die datum gold. De rechtbank oordeelt de (toepassing en het voorduren van) de maatregel tot 1 april 2001 niet onrechtmatig. Ten aanzien van de voortduring van de maatregel van bewaring na 1 april 2001 is de Vw 2000 van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank is de betekenis van artikel 63, eerste lid, Vw 2000 door de zinsnede „ingevolge artikel 27, eerste lid, onder b, dan wel artikel 45, eerste lid, onder b,“ niet evident voor één uitleg vatbaar. Vanwege de toevoeging van voornoemde zinsnede suggereert de letterlijke tekst van het eerste lid, dat alleen die vreemdelingen uitzetbaar zijn die een meeromvattende beschikking tot afwijzing van een aanvraag om toelating of tot intrekking of niet-verlenging van hun verblijfsvergunning hebben ontvangen, welke beschikking van rechtswege het rechtsgevolg heeft dat zij uitzetbaar zijn. Uitgaande van die uitleg is deze bepaling niet meer dan een doublure van de eerder aangehaalde artikelen 27 en 45 Vw 2000. De rechtbank concludeert dat de reikwijdte van artikel 63, eerste lid, Vw 2000 niet beperkt is tot vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben, die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging hebben verlaten én die een meeromvattende beschikking hebben ontvangen. Op grond van artikel 63, gelezen in samenhang met artikel 62, eerste lid en derde lid, onder b, Vw 2000 - waarin is bepaald dat vreemdelingen die onmiddellijk voorafgaand aan hun binnenkomst in Nederland geen rechtmatig verblijf hebben gehad Nederland onmiddellijk dienen te verlaten - kunnen illegale vreemdelingen dan ook uitgezet en mitsdien op grond van artikel 59 Vw 2000 in bewaring gesteld worden. Ten aanzien van de last tot uitzetting is nog van belang dat uitzetting moet worden aangemerkt als bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb. Immers, uitzetting is door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Uit de in dit artikel vervatte definitie van bestuursdwang volgt niet dat bestuursdwang geen betrekking kan hebben op personen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de voortduring van de bewaring van de vreemdeling worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, Vw 2000. Afgifte van een nieuw bevel tot bewaring na 1 april 2001 was niet noodzakelijk nu de rechtsgeldigheid van het bevel tot bewaring van 12 maart 2001 niet is komen te vervallen door de intrekking van de Vw 1994. De Vw 2000 kent immers een aan artikel 26 Vw 1994 gelijkluidende bepaling. Wel brengt het onmiddelijkheidsbeginsel mee, dat de titel voor de bewaring opnieuw getoetst dient te worden. Deze toetsing brengt niet mee dat de inbewaringstelling vanaf 1 april 2001 op inhoudelijke gronden onrechtmatig geacht zou moeten worden. De gronden voor de inbewaringstelling op grond van artikel 26, eerste lid, Vw 1994 zijn materieel immers gelijk aan de gronden voor inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, Vw 2000. In dit verband is van belang dat naar het oordeel van de rechtbank de onder de Vw 1994 afgegeven last tot uitzetting kan worden gelijkgesteld met de beslissing tot uitzetting krachtens artikel 63 Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 5:24, eerste lid, Awb. Uit het voorgaande volgt dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring vanaf 1 april 2001 niet in strijd is met de Vw 2000 noch bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is. Beroep ongegrond en afwijzing schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl