Rb. Rotterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6429

Trefwoorden: contaminatieschade; contaminatie door losslang afzender?; artikel 16 lid 1 CMNI; artikel 18 CMNI; losstandaard nagelensde ladingtank; artikel 7.02 leden 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag; rol 'onweerlegbaar bewijsvermoeden' CDNI. Samenvatting: Een lading benzeen blijkt na overslag in een koppelverband gecontamineerd te zijn met fame. De afzender stelt dat de vervoerder de lading benzeen in een slechtere conditie heeft afgeleverd dan zij deze ten vervoer in ontvangst heeft genomen, zodat de vervoerder aansprakelijk is op grond van artikel 16 CMNI. De afzender stelt ook dat de vervoerder i.s.m. artikel 3 lid 3 CMNI schepen heeft gesteld die niet geschikt waren voor het voorgenomen vervoer, zodat vervoerder ook op die grond aansprakelijk is voor de contaminatieschade. De rechtbank gaat in op de rol van het door de vervoerder en eigenaar van het koppelverband ingeroepen 'onweerlegbaar bewijsvermoeden' van de CDNI. De rechtbank ziet in de verdragstekst en uitvoeringswetgeving geen aanwijzingen om te vermoeden dat de verdragsopstellers van enerzijds de CDNI en anderzijds de CMNI hebben beoogd dat de CDNI de aansprakelijkheidsregeling van de CMNI rechtstreeks zou beïnvloeden. De rechtbank concludeert dat de CDNI geen afbreuk doet aan de dwingende aansprakelijkheidsregeling van de CMNI. De rechtbank concludeert verder dat het onweerlegbaar bewijsvermoeden van artikel 7.02 lid 3 Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag in dit geval voor de toetsing van de aansprakelijkheid volgens de CMNI slechts leidt tot de feitelijke vaststelling dat de schepen voldeden aan de losstandaard 'nagelensde ladingtank' en vrij waren van overslagresten, maar niet direct de conclusie rechtvaardigt, laat staan tot de conclusie dwingt, dat aan boord van het koppelverband geen contaminatie kan zijn ontstaan of is ontstaan. Het betekent dat eventueel in de tanks of leidingen achtergebleven ladingrestanten onder die omstandigheden voor risico komen van de afzender. In die zin komt de rechtbank dus terug op haar eerdere uitspraken (ECLI:NL:RBROT:2019:6440, [naam schip 1] & ECLI:NL:RBROT:2020:4219, [naam schip 2]). De rechtbank oordeelt dat het beroep op het bewijsvermoeden van artikel 18 lid 2 CMNI op gaat en dat er onvoldoende reden bestaat om de afzender tot tegenbewijs toe te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken