Rb. Rotterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1728

Boete opgelegd voor overtredingen van artikelen 35 en 36 van de Wet marktordening gezondheidszorg. De beroepsgronden gericht tegen de vaststelling van de overtredingen slagen niet. Verweerder is bevoegd om eiseres een boete op te leggen. Anders dan eiseres stelt is er geen sprake van handelen in strijd met de eis van functiescheiding en het verbod op vooringenomenheid, met het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel, met het vertrouwensbeginsel en met het verbod van détournement de pouvoir. Ook slagen de gronden van eiseres over een onvolledig dossier, het niet deskundig zijn en onzorgvuldige betrokkenheid van de medisch adviseurs niet. De opgelegde boete is niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Alleen de grond dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden slaagt. Nu de gegrondverklaring van het beroep alleen verband houdt met de matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn, zijn er geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 8:74 van de Awb moet verweerder wel het betaalde griffierecht vergoeden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken