CBb 10 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:909

Tandartsenpraktijk komt op tegen een aanwijzing van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De tandartsenpraktijk voert zowel tandheelkundige als orthodontische behandelingen uit. De NZa, die toezicht houdt op de naleving van de Wet marktordening gezondheidszorg, heeft vastgesteld dat de tandartsenpraktijk behandelingen niet op de juiste wijze in rekening brengt. Daarom heeft de Nza een aanwijzing gegeven. Het College laat de aanwijzing in stand. De tandartsenpraktijk wordt onder meer verweten dat zij bij een orthodontiebehandeling ook tandheelkundige prestaties in rekening heeft gebracht. Dat mag op grond van de regels niet. Het College onderschrijft dat niet uitgesloten is dat op dezelfde dag zowel een tandheelkundige behandeling als een behandeling in het kader van orthodontie plaatsvindt, maar dat dan duidelijk uit het patiëntendossier moet blijken waarom dat is gebeurd en dat de tandheelkundige behandeling los stond van de behandeling in het kader van de orthodontie. Als die toelichting in het patiëntendossier ontbreekt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat bij een behandeling in het kader van orthodontie in strijd met de regels tandheelkundige prestaties zijn gedeclareerd. Het ligt vervolgens op de weg van de zorgaanbieder om dit vermoeden te weerleggen met bijvoorbeeld een concrete en overtuigende toelichting op het betreffende patiëntendossier of andere gegevens. Anders dan de tandartsenpraktijk aanvoert, hoefde de NZa niet te volstaan met een waarschuwing en is de aanwijzing niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het College bespreekt de beroepsgrond van de tandartsenpraktijk dat de NZa de aanwijzing niet met zorgverzekeraars had mogen delen niet inhoudelijk, omdat deze grond niet kan leiden tot het ermee beoogde doel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen