Rb. Rotterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1540
Uitlevering aan Turkije ter strafvervolging toelaatbaar. Voorbehouden aan de Minister is de beoordeling van de naleving specialiteitsbeginsel bij vervolgingsuitlevering (art. 14 EUV), mede in het licht van art. 11 UW, en van de dreigende inbreuk op fundamentele rechten als bedoeld in art. 3 EVRM De rechtbank brengt in haar advies aan de Minister in overweging om de garantie met betrekking tot het specialiteitsbeginsel nader te bezien en zonodig onderzoek te doen naar de waarborging daarvan, mede in het licht van het verbod op uitlevering met betrekking tot politieke delicten (artikel 3 EUV), gelet op overgelegde stukken. Voorts geeft de rechtbank aan de Minister in overweging om, alvorens het verzoek tot uitlevering in te willigen, van de Turkse autoriteiten garanties te verlangen met betrekking tot de naleving van artikel 6 EVRM en de nodige waarborgen in het kader van artikel 3 EVRM te bevorderen. Ten slotte vraagt de rechtbank aandacht van de Minister voor de lopende asielprocedure in Nederland van de opgeëiste persoon.
De uitspraak op rechtspraak.nl