HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463
Overzichtsarrest beroep op mensenrechtenschendingen in uitleveringsprocedures. Antilliaanse uitleveringszaak ter fine van strafvervolging: beroep op dreigende mensenrechtenschending bestaande uit uitlokking door DEA-agenten. In geval van uitlevering ter strafvervolging kan de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6.1 EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging (EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360). I.c. is een beroep gedaan op een dreigende mensenrechtenschending eruit bestaande dat de opgeëiste persoon door overheidsfunctionarissen van de verzoekende staat is uitgelokt tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht. Het hof had het verweer slechts kunnen verwerpen omdat niet is aangevoerd dat de o.p. na zijn uitlevering t.z.v. die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM resp. art. 2.3.a IVBPR ten dienste staat. Samenhang met 16/01894 UA.
De uitspraak op rechtspraak.nl