Rb. Rotterdam 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13825
De rechtbank is niet bevoegd kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen omdat onvoldoende is komen vast te staan dat een aanvraag is ingediend. Met de enkele toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken door de rechtbank, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de indiening van een aanvraag door eiser en is dus geen beslistermijn gaan lopen. De griffier heeft de aanvraag namelijk niet doorgezonden aan ACNL op grond van artikel 2:3 Awb (welke bepaling uitsluitend ziet op bestuursorganen), maar op grond van artikel 8:39 lid 1 Awb. Dit betekent voorts dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Gelet hierop was ACNL – anders dan eiser stelt – niet in verzuim om een dwangsombeslissing te nemen. Eiser wordt nogmaals gewaarschuwd dat bij een voortzetting van zijn procesgedrag misbruik van recht kan worden aangenomen. Het is de rechtbank opgevallen dat eiser ogenschijnlijk willekeurig AVG-verzoeken indient bij een groot aantal instanties verspreid over Nederland, waaronder instanties waarvan het niet in de rede ligt dat zij persoonsgegevens van eiser hebben verwerkt. Uit het procesgedrag in deze en in andere zaken komt het beeld naar voren dat het eiser of de persoon die hij vertegenwoordigt in veel gevallen niet is te doen om daadwerkelijk een besluit op de aanvraag te krijgen. Zo stelt eiser beroepen in nadat hem inzage is verleend of anderszins op zijn aanvragen is beslist, dit met het oogmerk om dwangsommen te ontvangen wegens niet tijdig beslissen. Voorts heeft de bestuursrechter vastgesteld dat veronderstelde aanvragen van eiser of zijn cliënt niet door het bestuursorgaan zijn ontvangen. Ook stuurt eiser aanvragen en ingebrekestellingen naar niet daarvoor bestemde e-mailadressen. Nadat het bestuursorgaan na (verlate) ontvangst van de aanvraag alsnog een besluit neemt, reageert eiser daar telkens niet inhoudelijk op, maar stelt hij dat niet tijdig is beslist en dat dwangsommen zijn verbeurd. In het voorliggende geval procedeert eiser ook op deze wijze. Dit structurele procesgedrag duidt op een oneigenlijk gebruik van procesrecht. In het voorliggende geval wist of kon eiser weten dat ACNL gelet op de aard van de hem op grond van artikel 8a.64 Wet luchtvaart toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid voorafgaand aan deze procedure geen persoonsgegevens van eiser kan hebben verwerkt. Gelet op een en ander was het eiser kennelijk niet om een inhoudelijke beslissing te doen, maar slechts om dwangsommen of andere gelden te incasseren.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Midden-Nederland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1078
- Rb. Overijssel 4 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1152
- Rb. Rotterdam 5 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10973
- Rb. Rotterdam 16 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9044
- Rb. Rotterdam 16 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9045
- ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:467
- Rb. Rotterdam 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10730
- Rb. Rotterdam 15 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2039
- Rb. Den Haag 12 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22347
- Rb. Zeeland-West-Brabant 23 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7014
- CRvB 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2007
- ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3887
- ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3553
- CRvB 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2254
- Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2409
- ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3320
- CRvB 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:283
- Rb. Rotterdam 20 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5451
- ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3999