Rb. Rotterdam 24 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:853

Beroep tegen het besluit van de minister om over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen (€ 45.125 van de topfunctionaris en van de holding) en opeising van onverschuldigde betalingen (€ 361.000 van de topfunctionaris en van de holding) op grond van de Wet Normering Topinkomens (WNT) is ongegrond. De minister had tegen zowel de holding als tegen de topfunctionaris lasten onder dwangsom uitgevaardigd vanwege betalingen door de instelling aan de holding in de jaren 2016, 2017 en 2018 ten behoeve van werkzaamheden van de topfunctionaris, die hoger waren dan de toen geldende bezoldigingsmaxima die volgden uit de WNT. Omdat de onverschuldigde betalingen niet zijn terugbetaald en de overtredingen dus niet zijn beëindigd, is de minister overgegaan tot invordering en opeising. De rechtbank volgt niet het betoog dat er geen sprake was van uitbetaling van een managementvergoeding, omdat de holding slechts als spaarpot zou worden gebruikt voor de instelling en de accountant een fout heeft gemaakt door in de jaarrekeningen de vermelding ‘managementvergoeding’ op te nemen. Ook volgt de rechtbank niet het betoog dat de overtreding ten tijde van het uitvaardigen van de lasten onder dwangsom al ongedaan was gemaakt en evenmin dat er onvoldoende draagkracht is om de verbeurde dwangsommen en onverschuldigde betalingen te kunnen voldoen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken