Rb. Rotterdam 17 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:643
Met betrekking tot beroep 1 stelt de rechtbank vast dat het college eiser vanwege zijn ernstig overlastgevende gedrag contactbeperkingen heeft opgelegd. Daarbij is onder meer bepaald dat eiser uitsluitend nog aanvragen kan indienen via e-mailadres (het mailadres). Eiser heeft in zijn aanvraag vermeld dat hij al het beleid van het college wenst te ontvangen ten aanzien van het mailadres en andere ‘communicatiefrustrerende maatregelen en werkwijzen’ die het college hanteert. Omdat eiser zijn aanvraag in afwijking daarvan heeft gezonden naar een ander mailadres (met een c.c. aan het emailadres), heeft het college de aanvraag als niet ingediend beschouwd en heeft het eiser daarvan op de hoogte gesteld. Eiser heeft vervolgens op precies dezelfde wijze opnieuw zijn verzoek ingediend. Eiser heeft in zijn berichten vermeld dat hij het mailadres heeft geblokkeerd en dat het college met hem per reguliere post dient te communiceren. Het in weerwil van de contactbeperkingen indienen van aanvragen via een niet toegestaan emailadres – ook na een waarschuwing – brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiser geen aanvraag heeft ingediend. Niet valt in te zien welk belang eiser heeft bij het instellen van beroep 2. De gronden die hij heeft aangevoerd raken niet aan de beslissing op bezwaar waarbij het besluit tot verstrekking van de BRP-gegevens van eiser aan een andere partij in overeenstemming van het bezwaar van eiser is herroepen. De rechtbank begrijpt in dit verband niet de stellingen van eiser dat zijn juiste adresgegevens verstrekt moeten worden en dat een bij naam genoemde wethouder leugenachtig is. Het komt erop neer dat eiser ook hier op oneigenlijke wijze gebruik maakt van de bevoegdheid rechtsmiddelen in te stellen. Indien eiser wil bewerkstellingen dat in afwijking van de BRP-gegevens een postadres aan derden wordt verstrekt, acht de rechtbank dit ook misbruik van recht nu eiser veelvuldig over de inschrijving van een postadres heeft geprocedeerd en vervolgens door de rechtbank is vastgesteld dat eiser misbruik van recht maakt door daarover kansloos te blijven procederen (bijv. ECLI:NL:RBROT:2023:1151). Daarnaast levert het grievende taalgebruik van eiser een reden op om hem kwade trouw tegen te werpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl