Rb. Rotterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13381
Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen, waaronder verzoeken tot beëindiging van het gezamenlijk gezag. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de twee kinderen, omdat het gezamenlijk gezag van partijen op verschillende manieren tot stand is gekomen. De man is niet de (juridisch) vader van het oudste kind, de vrouw heeft dit kind gekregen in een eerdere relatie. De man heeft naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak het gezamenlijk gezag verkregen over dit kind op grond van artikel 1:253t BW. De vrouw verzoekt nu het eenhoofdig gezag over dit kind. Rechtsgrond. Op grond van artikel 1:253v BW, derde lid, moet de rechtbank eerst de juridisch vader van het kind in de gelegenheid stellen om een verzoek tot het verkrijgen van het (gezamenlijk) gezag in te dienen. Het jongste kind is tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen geboren, zodat zij op grond van artikel 1:253aa BW van rechtswege belast zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag en dit na ontbinding van het geregistreerd partnerschap ook blijven. Ook met betrekking tot dit kind verzoekt de vrouw belast te worden met het eenhoofdig gezag. Voor de inhoudelijke beoordeling van beide verzoeken tot eenhoofdig gezag gelden de maatstaven uit de van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen 1:253n en 1:251a BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl