Rb. Rotterdam 25 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6339

Aan de afwijzing van een inzageverzoek op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet politiegegevens moet een individuele belangenafweging ten grondslag liggen, ook als dit verzoek, zoals in dit geval, ziet op door de Financiële inlichtingen eenheid verwerkte persoonsgegevens. Omdat de bestreden besluiten geen individuele belangenafweging bevatten en eisers niet over hun belangen zijn gehoord, zijn de beroepen gegrond en moeten deze besluiten worden vernietigd. Op de inzageverzoeken van eisers moet opnieuw worden beslist. Indien het voornemen bestaat om deze verzoeken opnieuw af te wijzen, moeten eisers daaraan voorafgaand op grond van artikel 4:7, eerste lid, van de Awb worden gehoord. Wat betreft de te maken individuele belangenafweging geeft de rechtbank partijen mee dat zij van oordeel is dat aan de belangen die pleiten voor een afwijzing van de inzageverzoeken van eisers een dermate zwaar gewicht toekomt dat deze belangen weliswaar niet bij voorbaat maar wel in beginsel dienen te prevaleren. Dit betekent dat eisers, ieder voor zich, moeten aantonen, en dus niet slechts stellen, dat sprake is van een individuele, zeer bijzondere situatie, waarbij de gevolgen van een afwijzing van hun inzageverzoeken zodanig uitzonderlijk en ook schadelijk voor hen zijn dat de belangen die pleiten voor een afwijzing van hun inzageverzoeken daarvoor moeten wijken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken