Rb. Rotterdam 22 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:267

Eiser verzoekt om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor het inschrijven als advocaat bij de Orde van Advocaten. Dit wordt afgewezen vanwege (recente) strafrechtelijke veroordelingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder minder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang dat eiser heeft bij het verstrekken van de VOG dan aan het risico voor de samenleving dat bij de beoordeling van het objectieve criterium is vastgesteld. Verweerder heeft daarbij groot belang mogen hechten aan de omstandigheid dat eiser meermalen met Justitie in aanraking is gekomen voor strafbare feiten die bij uitstek niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag. De strafbare feiten vallen binnen de terugkijktermijn van tien jaar. Daarbij geldt dat er voor de functie van advocaat hoge eisen aan integriteit mogen worden gesteld onder meer nu een advocaat professioneel en correct contact moet onderhouden met rechtzoekenden, wederpartijen, andere betrokken partijen/instanties en de rechterlijke macht. Eiser is meermalen in aanraking met Justitie gekomen wegens belediging van een ambtenaar in functie. Daarbij gaat het om belaging over een aantal jaar en bovendien is eiser tijdens de lopende proeftijd opnieuw met Justitie in aanraking gekomen. Overigens ziet de rechtbank bevestiging voor de juistheid van het standpunt van verweerder in het feit dat eiser: - zich ter zitting in beledigende bewoordingen heeft uitgelaten over de algemeen directeur en medewerkers van de Dienst Justis en over een aantal rechters en de president van de rechtbank Rotterdam; - te kennen heeft gegeven de privégegevens van de algemeen directeur van Justis openbaar te maken; - te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met de onherroepelijke uitspraken van de strafrechter waarbij hij veroordeeld is, omdat hij naar zijn mening niets strafbaars heeft gedaan. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken