Rb. Rotterdam 29 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9009
Beoordeling van het beroep van PostNL tegen de weigering van de ACM een vergunning te verlenen voor de concentratie tussen PostNL en Sandd. Deze procedure was een tijd opgeschort omdat er eerst onherroepelijk moest worden beslist op beroepen tegen een – na het weigeringsbesluit van de ACM - door de Minister van Economische Zaken en Klimaat om redenen van algemeen belang verleende vergunning voor die concentratie (artikel 47 van de Mw). De door de Minister verleende vergunning is bij de rechtbank en ook in hoger beroep vernietigd (uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 2 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:289). Daarmee kwam de opschorting tot een einde en moest de rechtbank vervolgens beslissen op het beroep van PostNL tegen het weigeringsbesluit van de ACM. Bij haar beoordeling moest de rechtbank uitgaan van de feiten zoals die bestonden op het moment dat de ACM haar besluit nam. De effecten voor de mededinging van de - achteraf onrechtmatig gebleken - vergunningverlening door de Minister en het feit dat de concentratie al tot stand is gebracht en nu een feit is, moesten dan ook bij deze beoordeling buiten beschouwing blijven. De rechtbank verklaart het beroep van PostNL ongegrond. Geen sprake van een onzorgvuldige marktafbakening van de ACM. De ACM is terecht uitgegaan van een nationale markt voor zakelijke partijenpost en een nationale markt voor losse post. De ACM heeft daarbij onder meer mogen uitgaan van de interne stukken van PostNL. De rechtbank acht door de ACM de horizontale gevolgen voor zakelijke partijenpost en losse post aannemelijk gemaakt. Ook vindt de rechtbank dat de verticale gevolgen voor de zakelijke partijenpost en dat die fusie specifiek zijn door de ACM voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ook heeft de ACM het efficiencyverweer grondig onderzocht en kunnen verwerpen. Tot slot heeft de ACM aannemelijk gemaakt dat het niet overnemen van Sandd de vervulling van de aan PostNL toevertrouwde wettelijke taak tot uitvoering van de Universele Postdiensten niet verhindert, zodat artikel 41, derde lid, van de Mw zich niet verzet tegen de weigering van de vergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl