Rb. Rotterdam 21 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:5219

Hoofdzaak en vrijwaringszaak. Binnenvaartvervoer van lading Jet, brandstof voor straalvliegtuigen, van Rotterdam naar Antwerpen. Na aankomst in Antwerpen blijkt lading gecontamineerd te zijn met de stof FAME (Fatty Acid Methyl Ester, oftewel vetzuurmethylester). In de hoofzaak spreekt de ladingbelanghebbende de vervoerder aan uit overeenkomst en de scheepseigenaar uit onrechtmatige daad. Op de vervoerovereenkomst is het CMNI toepasselijk en aanvullend Belgisch recht. Aansprakelijkheid vervoerder krachtens art. 16 CMNI. Evenwel gedeeltelijk sprake van eigen schuld van de Ladingbelanghebbende op grond van Belgisch recht. De analyse van de eerste voetmonsters van de lading die als eerste in de ladingtanks zijn geplaatst is namelijk niet goed uitgevoerd, waardoor na die analyse de belading ten onrechte verder is voortgezet. Bepaling van de waarde van de ladingschade waarvoor de vervoerder aansprakelijk is. Art. 19 lid 2 en lid 3 CMNI. Begrip ‘aflevering’. Art. 10 lid 2 CMNI. Overliggeld. Art. 19 lid 5 CMNI. In de hoofdzaak is de scheepseigenaar in het geheel niet aansprakelijk. Geen schuld namelijk van het schip (Casuele/De Toekomst) en ook niet voldaan aan de Kelderluik-criteria. In de vrijwaringszaak spreekt de vervoerder als bevrachter de scheepseigenaar aan onder hun bevrachtingsovereenkomst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken