Rb. Rotterdam 26 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3312

Deze zaak betreft een geschil tussen de vereffenaar van de nalatenschap van een fertiliteitsarts als eiser en vier partijen als gedaagden. De eerste gedaagde is de weduwe van de arts. De tweede gedaagde is de persoon aan wie de weduwe de onroerende zaken uit de nalatenschap heeft overgedragen. De derde gedaagde is de vennootschap die onder hypothecair verband geld heeft geleend aan gedaagde 2 zodat die de onroerende zaken kon kopen. De vierde gedaagde stelt een van de onroerende zaken van gedaagde 2 te hebben gekocht. De vereffenaar meent dat de onroerende zaken zich juridisch nog in de nalatenschap bevinden omdat ze niet rechtsgeldig zijn overgedragen. Ook stelt de vereffenaar zich op het standpunt dat er geen hypotheek op de onroerende zaken rust. Verder meent de vereffenaar dat de gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van de nalatenschap. De rechtbank stelt de vereffenaar grotendeels in het gelijk: de weduwe was niet bevoegd de onroerende zaken te verkopen en leveren aan gedaagde 2 en de onroerende zaken hebben de nalatenschap nooit verlaten. De hypotheek die gedaagde 2 ten gunste van gedaagde 3 heeft gevestigd, is nietig. Verder oordeelt de rechtbank dat de weduwe en gedaagde 2 wel, en gedaagde 3 niet, onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van de nalatenschap. De vereffenaar krijgt de gelegenheid de schade die de nalatenschap door toedoen van de weduwe en gedaagde 2 heeft geleden te begroten en te onderbouwen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken