Rb. Rotterdam 11 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2990

Loonsanctie. De rechtbank volgt de nuancering op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat in beginsel het afgaan op een onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico komt van de werkgever, tenzij van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd te twijfelen aan de adviezen van de bedrijfsarts, gelet op de formulering van artikel 65 van de Wet WIA en gelet op het belastende karakter van een besluit tot loonsanctie. In de specifieke situatie heeft het UWV onvoldoende gemotiveerd dat van eiser (de werkgever) in redelijkheid gevergd had kunnen worden te twijfelen aan de adviezen van de bedrijfsarts. Uit de motivering van het UWV blijkt niet dat eiser vanaf 1 december 2020, na een periode van volledige arbeidsongeschiktheid, niet langer van de adviezen van de bedrijfsarts kon uitgaan en dat toen een re-integratieverplichting ontstond. Sprake was van een opeenvolging van medische complicaties, met herziening en uitstel van behandelingen tot gevolg. Eiser kon vóór 1 december 2020 wel uitgaan van het advies van de bedrijfsarts dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was als bedoeld in het Schattingsbesluit, terwijl de bedrijfsarts voor die periode ook beperkingen heeft vermeld in een in de FML gebruikelijke terminologie. De adviezen van de bedrijfsarts van zowel voor als na 1 december 2020 bevatten dergelijke overwegingen, zodat van eiser niet valt in te zien waarom eiser op grond van deze overwegingen ná 1 december 2020 wel moest twijfelen aan de adviezen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken