Rb. Rotterdam 17 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5485
BC FT. De AFM heeft eiser een boete opgelegd vanwege het feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel 4:11,eerste lid, van de Wft. Dit blijkt volgens de AFM uit diverse overtredingen van de Wft en het BGfo. De geconstateerde overtredingen houden deels stand. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de door de AFM terecht geconstateerde overtredingen, zowel los van elkaar als ook in samenhang bezien, de conclusie dat daarmee (ook), overkoepelend, artikel 4:11, eerste lid, van de Wft is overtreden. De rechtbank acht, gelet op de stukken over eisers draagkracht en nu een deel van de door AFM aan eiser verweten overtredingen geen stand houdt, een aanzienlijke matiging van de boete tot € 5.000,- passend en geboden. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn verlaagt de rechtbank de boete tot € 4.000,-.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 3:4 Awb
- Artikel 5:1 Awb
- Artikel 5:49 Awb
- Artikel 14 Bte 1995
- Artikel 5 Btb 2005
- Artikel 23 Btb 2005
- Artikel 1:80 Wft
- Artikel 1:81 Wft
- Artikel 4:9 Wft
- Artikel 4:11 Wft
- Artikel 4:14 Wft
- Artikel 4:17 Wft
- Artikel 4:26 Wft
- Artikel 4:39 Wft
- Artikel 4:83 Wft
- Artikel 4:88 Wft
- Artikel 16 Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten
- Artikel 6 EVRM
Aangehaalde uitspraken
- CBb 2 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:967
- CBb 30 juni 2020, ECLI:NL:CBB:2020:419
- CBb 14 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:400
- CBb 16 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:32
- ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1261
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens 19 december 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0982