Rb. Rotterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:186
Deze zaak gaat over de vraag of de ACM aan eiseres terecht een boete heeft opgelegd omdat zij onredelijke hoge opzegvergoedingen heeft opgenomen in haar overeenkomsten met kleinverbruikers. Volgens de ACM heeft eiseres deze kleinverbruikers ten onrechte aangemerkt als kleinzakelijke afnemers in plaats van als consumenten. Volgens eiseres is het niet mogelijk om haar een bestuurlijke boete op te leggen op basis van een onderscheid dat slechts in een beleidsregel en niet in de wet wordt gemaakt. De rechtbank vindt dit ook. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 95m van de E-wet en artikel 52b van de Gaswet volgt dat de wetgever destijds voorafgaand aan de invoering van de consumentenbescherming tegen oneerlijke handelspraktijken in het BW een gelijkwaardige bescherming wilde bieden aan kleinverbruikers, hoewel het daarbij dus niet altijd zou gaan om consumenten. Na invoering van wetgeving inzake oneerlijke handelspraktijken in het BW heeft de wetgever ervoor gekozen om die bescherming niet langer aan andere kleinverbruikers dan consumenten te bieden, met dien verstande dat met betrekking tot kleinverbruikers wel de norm is gehandhaafd dat de energieleverancier geen onredelijke opzegvergoeding mag hanteren. De wetsgeschiedenis van deze opvolgende wijzingen in de E-wet en Gaswet bieden naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor het onderscheiden van consumenten binnen de groep kleingebruikers zoals de Richtsnoeren ROVER dat doet. Vanwege de onbepaaldheid van artikel 95m van de E-wet en artikel 52b van de Gaswet was de ACM niet bevoegd eiseres een bestuurlijke boete wegens overtreding van het achtste lid van zowel artikel 95 van de E-wet als artikel 52b van de Gaswet op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl