Rb. Rotterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12285

DNB heeft aan eiseres (betaaldienstverlener/betaalinstelling) twee bestuurlijke boetes opgelegd voor overtreding van artikel 3, tweede lid, en artikel 8, vierde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en artikel 10b, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 (Sw) en artikel 3:10, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en artikel 10, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft (Bpr). De rechtbank is van oordeel dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres van in ieder geval 1 juli 2015 tot 20 maart 2018 als betaaldienstverlener stelselmatig te kort is geschoten in de naleving van meerdere kernverplichtingen van de Wwft en Sw door nauwelijks cliëntenonderzoek te verrichten, geen PEP-screening uit te voeren en niet te screenen tegen alle sanctielijsten. Alle 20 door DNB onderzochte dossiers waren vrijwel voor 100% niet op orde. DNB heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van verwijtbare en ernstige overtredingen die het opleggen van een bestuurlijke boete rechtvaardigen. Anders dan DNB, is de rechtbank echter van oordeel dat er geen aanleiding is om een verhoogde ernst van de overtredingen aan te nemen. Hoewel de wet in dit kader weinig ruimte geeft om onderscheid te maken in soorten betaaldienstverlener, acht de rechtbank gelet op de door eiseres geschetste omstandigheden de poortwachtersrol voor haar door DNB te zwaar aangezet. De verhoging van de boetes met 12,5% blijft daarom niet in stand. De boetes worden verder gematigd vanwege overschrijding van de termijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en zelf in de zaken voorzien door de hoogte van de boetes opnieuw vast te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken