Rb. Rotterdam 13 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10152
Beklag tegen beslag door verschoningsgerechtigde (adv) o.g.v. art. 552a jo 98 lid 4 Sv. Ongegrond. De rechtbank komt tot de conclusie dat de terhandstelling van de gegevensdragers aan het kantoor van de klager niet te beschouwen is als het toevertrouwen van informatie door zijn cliënten aan de klager in de normale uitoefening van zijn beroep en de gegevensdragers dus geen voorwerpen betreffen die zijn toevertrouwd dan wel bestemd waren om toe te vertrouwen aan de klager in zijn hoedanigheid van advocaat. Deze gegevensdragers vallen daarmee niet integraal onder de plicht van de klager tot geheimhouding daarvan en daarmee niet integraal onder de reikwijdte van zijn verschoningsrecht. Er kan daarom redelijkerwijze geen twijfel over bestaan dat het standpunt dat de klager daarover heeft ingenomen onjuist is. Gelet hierop was de inbeslagneming van deze voorwerpen in beginsel toegestaan. Verschoningsrechtprocedure: Het voorgaande betekent niet dat de gegevens die zich bevinden op de harde schijven en telefoons zonder meer al kunnen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam van de FIOD. Onder regie van de RC zal worden beoordeeld of zich op deze voorwerpen informatie bevindt die onder het verschoningsrecht van één of meer (betrokken) advocaten valt en waar om die reden geen kennis van genomen mag worden. Deze informatie zal van het beslag moeten worden uitgezonderd.
De uitspraak op rechtspraak.nl