Rb. Rotterdam 11 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5646
Boetes voor met baansmeer verontreinigde pluimveekarkassen. De rechtbank oordeelt dat overtreding van punt 3, hoofdstuk IX, Bijlage II van Verordening 852/2004 (hierna: punt 3) terecht is vastgesteld. Anders dan de slachterij stelt, zijn de pluimveekarkassen in de panklaarlijn wel aan te merken als levensmiddelen. Daarnaast is baansmeer wel degelijk aan te merken als een verontreiniging; het gaat om een ruime definitie. Dat het middel baansmeer op zichzelf niet ongeschikt zou zijn voor menselijke consumptie doet er niet aan af dat de aanwezigheid van baansmeer op een karkas een gevaar introduceert (het neemt vervuiling van de baan mee en bevat ook metaalslijpsel en kippenvet). Ook volgt de rechtbank de slachterij niet in het betoog dat op de plek van de controle nog geen nultolerantienorm geldt. De norm van punt 3 is namelijk duidelijk en geldt tijdens de gehele productie in de slachterij. De verwijzing van de slachterij naar het Albrecht-arrest treft geen doel omdat dit een andere situatie betreft. Overtreding van punt 3 is dus terecht vastgesteld. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom de toegepaste interventie (een boete) in het licht van de interventie bij andere overtredingen en in vergelijking met het verleden gerechtvaardigd is. Sinds juli 2016 wordt namelijk bij baansmeerverontreiniging het Specifieke interventiebeleid vlees toegepast, op grond waarvan direct bij de eerste keer dat baansmeerverontreiniging wordt aangetroffen een boete wordt opgelegd. Daarvóór werd op grond van het Handhavingsprotocol hygiënisch werken pas na drie keer (binnen 10 shifts en 3 maanden) een boete opgelegd. Verweerder heeft geen overtuigende motivering gegeven voor deze wijziging in de interventie bij baansmeerverontreiniging. Bij gebreke van die motivering heeft verweerder niet tot boeteoplegging kunnen overgaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl