Rb. Rotterdam 17 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5599
Veroordeling van eendaadse samenloop van het medeplegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid vier van de Opimwet en het medeplegen van een voorschrift gesteld bij artikel 2 onder a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Dit kan bewezen worden op grond van de bekennende verklaring van de verdachte en het procesdossier waaronder het NFI rapport. Van het ongeoorloofde bezit van PMK-glycidaat wordt de verdachte vrijgesproken omdat deze stof in de tenlastegelegde genoemde datum, 14 juni 2018, niet voor kwam op de als bijlage 1 bij Verordening 273/2004 gevoegde lijst met geregistreerde stoffen (geconsolideerde versie van 21 september 2016). Ook wordt de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit: de rechtbank kan niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte en de medeverdachte opzet hebben gehad (en ook geen voorwaardelijk opzet) op het stichten van brand of het teweeg brengen van een ontploffing. De verdachte wordt wel veroordeeld voor het medeplegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid vier van de Opiumwet. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden. Bij het bepalen van deze straf is in het voordeel van de verdachte meegewogen dat het bewezenverklaarde feit inmiddels lang geleden is gepleegd. Daarnaast weegt de rechtbank de ernstige en blijvende lichamelijke en psychische gevolgen mee. Tevens neemt de rechtbank mee dat de verdachte zijn betrokkenheid heeft bekend.
De uitspraak op rechtspraak.nl